ARCHIEF

Juf: Zullen jullie ooit vrij zijn?

Kinderen:

  • Als we nooit vrij zijn, is dat gemeen van onze ouders.
  • Maar we zijn niet vrij omdat we groot zijn.
  • Neen, papa is niet vrij omdat hij lang moet werken.
  • Maar om af en toe niet te moeten werken heb je vrij-dagen. Vrije dagen.
  • Door te werken verdien je geld en ben je vrij.

Bovenstaande conversatie werd gevoerd in een kleuterklas met zesjarigen. Dit fragment werd gefilmd nadat ze al twee jaren filosofie kregen. De rest van de gesprekken zijn terug te vinden in de documentaire ‘Ce n’est qu’un début/just a beginning‘, die te zien op Cinémember.

In het aangehaalde fragment zoeken ze antwoorden op de vraag ‘Wat is vrijheid?’. De juf begeleidt het gesprek en stelt bijkomende vragen.De kinderen antwoorden weloverwogen en tasten in groep af wat ‘vrijheid’ betekent. En ze ontdekken dat het niet zo eenvoudig is. Maar het proces dat ze doormaken is van groot belang. Ze leren nadenken, maar ook om te luisteren, beleefd een gesprek te voeren, hun mening herzien, …

Een beter voorbeeld om het belang van leren filosoferen aan te tonen dan deze film is er niet. Er zijn al veel artikels over geschreven, maar het meemaken, het zien gebeuren, is het beste bewijs. De vooruitgang die deze kleuters boeken op twee jaren is immens. Helaas gaat het, zoals wel vaker als het op filosofie in het onderwijs aankomt, over een proefproject. En ondanks de merkbare vooruitgang, zal het budget voor deze sessies teruggeschroefd worden. Er komt geen verdere opvolging voor deze kinderen.

In Vlaanderen staat filosofie niet eens standaard op het curriculum. Als ‘zachte’ wetenschap wordt ze niet als nuttig beschouwd. Daartoe dienen eerder de STEM vakken. Nochtans geen wetenschap zonder reflectie. Hoe kom je anders tot een hypothese? Dat is immers een denkoefening die het onderzoek vooraf gaat. Willen we goede wetenschappers, dan moeten we ook goede denkers hebben. Buiten het onderwijs zijn er wel veel kleinschalige initiatieven in Vlaanderen, maar daarvoor het loopt niet storm. Hier en daar kan er al eens een workshop filosoferen voor kinderen of jongeren gevolgd worden.

Maar wetenschapper in spe of niet, filosoof in wording of niet,  wie filosofisch kan redeneren ontwikkelt zich tot een kritische burger en zal zich op een betrokken manier tot de samenleving verhouden. Iets wat ons allemaal ten goede komt. Op die manier dragen we op een constructieve manier bij aan de maatschappij. Daarom dat intussen toch al enkele onderwijskoepels filosofie het toch op een of andere manier in hun lessenpakket verwerken.

Niet minder van belang is het kind zelf. Grote mensen kunnen wel veel willen van kinderen, dat ze nuttige dingen studeren staat daarbij bovenaan het lijstje, maar wat willen kinderen zelf? Misschien komt het paradoxaal over, maar grote mensen kunnen filosofie voor kinderen willen. Niet omdat het nut zou hebben, maar omdat het net tot de ontvoogding leidt. Als kinderen leren om zelf na te denken, dan hebben ze geen grote mensen nodig om het in hun plaats allemaal te beslissen, maar kunnen ze betrokken worden in het beslissingsproces en gehoord worden. Dan kunnen ze zelf meepraten over hun vrijheid, wat het betekent om een baas te hebben/zijn, wat er gebeurt als we doodgaan, …

Artikel 13 van de kinderrechten stelt: Kinderen mogen op allerlei manieren hun mening geven. Dit betekent ook dat kinderen informatie mogen verzamelen zodat ze hun mening kunnen vormen. De rechten van anderen moeten wel gerespecteerd worden. Schelden of iemand beledigen mag dus niet. Aspecten die zeker ook aan bod komen tijdens een sessie praktische filosofie. Hoe goed zou het dan niet zijn om hen ook aan te leren deze dialoog te kunnen voeren? Wanneer maken we er werk van?

Zijn alle mensen gelijk?

Recent stond er in De Standaard een artikel met als kop De crisis heeft me terug aan de haard gezet[1]. Het artikel gaat over een ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die door de coronamaatregelen weer opleeft. Nochtans zijn in een samenleving alle mensen gelijk. De rechten van de mens gaan hier van uit, net zoals menige nationale grondwet. Het lijkt een vanzelfsprekendheid waar niemand iets tegenin brengt. Deze gelijkheid blijkt enkel op papier. In de praktijk is er net zeer veel ongelijkheid. Ongelijkheid die steeds betekent dat een deel van de samenleving haar succes kent door een ander deel te onderdrukken en/of uit te buiten. De coronapandemie brengt dit pijnlijk aan het licht, over de hele wereld. De ongelijkheid kent vele vormen, maar het ziet ernaar uit dat binnen elk van die vormen vrouwen aan het kortste eind trekken. Ook in het Westen, waar men ervan uitgaat dat vrouwen intussen toch al heel wat rechten verworven hebben. Het blijkt nu dat mythes rond vrouw-zijn hardnekkiger zijn dan de rechten doen uitschijnen. Nog steeds leven vrouwen naar die mythes die, in grote lijn, inhouden dat vrouwen de zorgtaken op zich nemen, omdat ze daar nu eenmaal van nature beter toe in staat zijn. Het zou deel zijn van hun vrouwelijke essentie. De Beauvoir schreef er met De Tweede Sekse een lijvig boek over. Het eerste deel van het boek gaat net over deze mythes. Maar De Beauvoir blijkt optimistisch. Het vrouwenstemrecht was vier jaar voor de verschijning van dit boek een feit en ze dacht dat de politieke verworven rechten zouden leiden tot de sociale en economische onafhankelijkheid van vrouwen. Groot was haar teleurstelling 20 jaren later, toen de mythes inderdaad iets hardnekkig bleken te hebben. De verhoopte vrijheid bleef uit. Vrouwen waren nog steeds de tweede sekse.

Tussen het verschijnen van De Tweede Sekse in 1948 en vandaag zijn er meer dan 70 jaren voorbij gegaan. Hoewel sindsdien steeds meer vrouwen gingen werken, blijft de economische onafhankelijkheid nog steeds uit. Vrouwen verdienen minder dan hun mannelijke evenknie en moeten bovendien nog steeds het gros van de zorgtaken op zich nemen. Ook nu nog wordt er geloof gehecht aan de mythe van de vrouw als een essentieel zorgend wezen. De coronacrisis en de maatregelen tonen dit aan. Men spreekt, tien maanden ver in de pandemie en volop in de tweede golf, van een roze recessie. Vrouwen blijven thuis om voor de kinderen te zorgen nu ook kinderopvang sluit, terwijl mannen gewoon verder werken.

“We’ve never seen this before,”, zegt Betsey Stevenson professor economie in de New York Times: “Recessions usually start by gutting the manufacturing and construction industries.”[2] Hier wordt duidelijk waarom het over het in stand houden gaat van de mythes. Bij een reguliere recessie is het de werkgever die beslissingen moet nemen, en die doet dat op basis van de kosten. Als mannen meer verdienen dan vrouwen, zullen het dan ook de mannen zijn die hun ontslag krijgen. Maar tijdens deze roze recessie wordt de beslissing over wie er thuisblijft, binnen het gezin genomen. Vrouwen verdienen minder en ze zijn beter in zorgtaken, ziedaar: de vrouw geeft haar werk op. Of ze zoekt niet meer naar ander werk, want als ze werkloos is, gaat haar tijd en energie naar die zorgtaken. Haar wederhelft hoeft niet meer in te springen bij die taken, want er is nu iemand thuis. De taken worden weer traditioneel verdeeld. ‘Ik heb het gevoel dat ik terug in de tijd ben gekatapulteerd,’ zegt Eva Marievoet in het artikel. Ze vreest voor haar professionele carrière.[3]

Maar is er wel sprake van terug katapulteren? Is er ooit iets veranderd? Zijn de mythes ooit weggeweest, nu blijkt dat buitenshuis werken niet tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen geleid heeft? Het ziet er eerder naar uit dat de mythe van de vrouwelijke essentie terug is van nooit weggeweest. Het blind geloof in de bevrijding door buitenshuis werk, zorgde ervoor dat de samenleving het niet meer zag dat vrouwen nog steeds moeten beantwoorden aan de mythe. Maar buitenhuis werk, betaalde arbeid, is geen teken van emancipatie, maar meer van het hetzelfde: het idee dat succes afhangt van het niet-succes van de ander. Dus van onderdrukking in een samenleving. Zoals ook Ruud Welten schreef in het recent verschenen Wie is er Bang van Simone De Beauvoir?.[4]  Vrouwen zijn evengoed in deze val van onderdrukking getrapt. Het oude normaal kwam nooit ten einde, het werd slechts aangepast. Het werd normaal dat een vrouw naast haar zorgtaken ook nog eens buitenshuis ging werken, waarbij het werd afgedaan als het toppunt van emancipatie. “En zo ontstaat een nieuwe mythe, waar we vandaag in leven, van een neoliberale samenleving die zichzelf genderneutraal acht, maar stilzwijgend masculien blijft.”, schrijft Welten[5]. De roze recessie maakt dit alleen maar duidelijk. Nu iemand in deze crisis het moet ontgelden, is teruggrijpen naar de aloude mythes over de vrouw snel gebeurd. In een roze recessie hangt het succes van de man af van het niet-succes van de vrouw. De zorgtaak weer opnemen is een teken van niet-succes in het nieuwe normaal. Het verklaart waarom Marievoet zich terug aan de haard gezet voelt. Vrouwen hebben slechts succes geboekt in een neoliberaal systeem, maar ze hebben geen vooruitgang gemaakt als het op vrijheid aankomt.  De Beauvoir heeft het niet over succes of verdienste, ze heeft het over vrijheid. Een samenleving kan volgens haar alleen maar vrij zijn als er geen sprake meer is van onderdrukking. Het ziet er dan naar uit dat er nog een lange weg te gaan is. Als vrouwen nu al eens beginnen met de mythe zelf te doorbreken? Neen zeggen is de eerste vorm van vrijheid. Neen tegen het individueel opnemen van de zorgtaken. Uit het verlies van werk volgt immers niet noodzakelijk het opnemen van een oud rollenpatroon. Coronaverlof is niet noodzakelijk weggelegd voor de ouder met het laagste inkomen. Neen zeggen is een eerste stap. Neen, ik wil dit niet, ik wil vrij zijn.

[1] Karsten Lemmens, “’Deze crisis heeft me terug aan de haard gezet’,”in De Standaard, red. Karel Verhoeven (Brussel: Mediahuis, 2020), 38.

[2] Patricia Cohen, “Recession with a Difference: Women Face Special Burden,” in The New York Times, red. Dean Baquet (New York: 2020), A1.

[3]Karsten Lemmens, “’Deze crisis heeft me terug aan de haard gezet’,”, 38.

[4] Ruud Welten, Wie is er Bang voor Simone De Beauvoir: over Feminisme, Existentialisme, God, Liefde en Seks (Amsterdam: Boom, 2020), 190.

[5] Ruud Welten, Wie is er Bang voor…, 167.

Ouders en nataliteit

Een van de mooiste begrippen bij Hannah Arendt, en misschien wel de mooiste uit de filosofie, is nataliteit: een mens komt ter wereld en verschijnt als een nieuwkomer tussen andere mensen. Mensen gaan interactie aan met anderen en maken op die manier een nieuw begin. Het ligt mede aan de basis van het politieke denken bij Arendt. Nataliteit geeft aanleiding tot handelen, spontaan beginnen met iets nieuws. Zo is de mens in staat om de kringloop van worden en vergaan, de wet der sterfelijkheid, te doorbreken. “…, [we] zijn niet geboren om te sterven, maar om een begin te maken.”. Geboren is iets wat je overkomt. We kunnen sterven zonder inmenging van anderen, maar dat geldt niet voor onze geboorte. Iemand heeft al gehandeld, voor we zelf deze mogelijkheid bezitten. We ondergaan onze eigen geboorte passief, net zoals we later al onze handelingen enige vorm van passiviteit zullen bewaren omdat we niet soeverein zijn, maar steeds afhankelijk zijn van anderen. Maar klopt dat wel voor onze geboorte? Wat we zelf passief ondergaan, wordt heel actief uitgevoerd door de persoon die door middel van het baren de nieuwe mens op de wereld zet. Of zelfs het dragen dat eraan voorafgaat is een actief gebeuren. Arendt schrijft daar niets over. Nochtans is er voor elke mens een efficiënte oorzaak, telkens opnieuw: de Moeder. Een begrip dat ik hier met een hoofdletter schrijf om als volledig en inclusief te kunnen gelden en dat ik beter geschikt acht dan ouders. Arendt gaat voorbij aan de Moeder en de politieke betekenis ervan. Bewuste handelingen maken van de mens een politiek dier bij uitstek. Handelen zorgt ervoor dat we met anderen contact kunnen maken, dat er sprake is van een ‘samen’. Arendt zelf heeft het over pluraliteit.

“Het vermogen tot handelen vindt ontologisch zijn wortels in de nataliteit.”, schrijft ze. Dat is ook zo. Alleen moet dat ook buiten de context van de ontmoeting met de ander gezien worden. Nataliteit begint bij de werkelijke geboorte, maar niet bij het kind dat geboren, maar diegene die de actieve handeling stelt: de barende. Of nog verder terug: de dragende. Begint de echte nataliteit niet bij het bewust worden van de conceptie die er in het lijf heeft plaatsgevonden? In het dragen zit al een handeling, want ook dit is een bewust gebeuren. In het baren wordt dit kind nog niet overgedragen aan de wereld.  Het is nog te vroeg om een boreling van handelend wezen te zien. Dat duurt nog enige tijd. Een kind dat ter wereld komt is hulpeloos, afhankelijk van anderen om gevoed en warm gehouden te worden. Moeders zetten kinderen op de wereld en verzorgen hen net zolang tot ze op eigen benen kunnen staan, tot ze in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. En tot ze oud genoeg zijn om zelf te kunnen handelen. Nochtans wordt dit dragen, baren en zogen afgedaan als arbeid. Iets wat niet tot het publieke behoort, maar het private. Een opdeling die Aristoteles al maakte. Burgers -lees: vrije mannen- konden toetreden tot het publieke domein, al de anderen -lees: vrouwen, kinderen en slaven- begaven zich enkel in het private domein. Het laatste als datgene waar de was en de plas, het gras maaien, eten klaarmaken, … behoort. Het publieke waar stemmen gelden die aan politiek kunnen doen, die de wereld kunnen vernieuwen.

We arbeiden volgens Arendt omdat we onderworpen zijn aan de noodzakelijkheden van het bestaan. We moeten voorzien in het (levens)onderhoud van onszelf en anderen. Het betreft hier dus geen politiek. Nochtans beschouwt elke Moeder het kind als een volwaardig persoon, leest en ziet hierin reeds de mogelijkheden die voor ons liggen. Verwachtingen van hoop en geloof. Elk kind draagt in zich de belofte van een nieuwe en betere wereld. Elke generatie opent deze mogelijkheden opnieuw. Elk kind wordt, voor het de wereld ingestuurd wordt, niet alleen ter wereld gebracht, maar ook opgevoed. Dit opvoeden en grootbrengen gebeurt door de Moeder. Hen wacht niet tot het kind oud genoeg is om zelf deel te kunnen nemen aan het publieke leven. De Moeder ziet reeds in het kind alle hoop en geloof. De arbeid waartoe het in stand houden van het leven dient, is geen arbeid als het over opvoeden en grootbrengen aankomt, het is geen arbeid als het gericht is op de ander die in zich de belofte draagt. Een kind baren, de borst geven, recht helpen bij het vallen, woordjes leren, huiswerk begeleiden, … het is handelen in zijn meest pure vorm. Het is een verborgen handelen dat de Moeder op zich neemt. Als Arendt het over nataliteit heeft, schrijft ze ook: “…het geboren worden van een nieuwe mens en het maken van een nieuw begin, de handeling waartoe wij uit kracht van de geboorte in staat zijn. Slechts in de volle beleving van dit vermogen liggen de menselijke aangelegenheden geloof en hoop.” Laat het net de Moeder zijn die een nieuw leven ter wereld brengt, die vanuit deze handeling blijkt geeft van een geloof in de toekomst, dat we als mens een nieuw begin kunnen maken. Een Moeder zal met hun hele zijn, en niet in het minst met hun lichaam, ervoor zorgen dat nieuw leven, een nieuw begin, deelneemt in de wereld. Moeders zijn dus primair handelende mensen, zonder Moeders is er geen wereld.

Allison Stone, An Introduction to Feminist Philosophy (Cambridge: Polity Press, 2007)

Hannah Arendt, Vita Activa (Amsterdam: Uitgeverij Boom, 1994)

Dirk De Schutter, Remi Peeters, Hannah Arendt: Politiek Denker (Zoetemeer: Uitgeverij Klement, 2015)

Naaktheid als superieur wapen

Het lichaam is meer dan een biologisch gegeven. Het is niet alleen het onderwerp van onderzoek bij biologen of medici, maar ook bij antropologen en sociologen. En ook bij filosofen. Dat zou al een belletje moeten doen rinkelen. Deze laatste wetenschappers houden zich niet bezig met bloedplaatjes, hormonen of stamcellen, maar met het lichaam in een sociale, maatschappelijke context. Bij hen overstijgt het lichaam zijn zuivere lichamelijkheid. Wat betekent een lichaam voorbij het biologische?

Het lichaam is in de eerste plaats een zuiver private aangelegenheid. Wat ermee gebeurt, gaat enkel en alleen jezelf aan. Niemand mag je slagen toebrengen en chirurgen vormen daarom een uitzondering op de wet. Nochtans is de lijn dun. Je mag met dat eigen lichaam niet eender wat doen. Zo mag je niet naakt in de publieke ruimte komen. Mannen mogen dat nog gedeeltelijk omdat ze hun bovenlichaam kunnen ontbloten, terwijl vrouwen ook dat moeten bedekt houden. Er zijn ook landen waar vrouwen zich helemaal moeten bedekken. Ideaal om zo vrouwen weg te houden uit de publieke sfeer. Niet letterlijk, ze hoeven niet altijd en overal binnenskamers te blijven, maar hun openbare zichtbaarheid wordt afgenomen. Deze regels en wetten die vooral vrouwen benadelen, worden veelal door mannen uitgevaardigd. Ze reduceren vrouwen al enkele eeuwen quasi tot hun lichaam, dat vaak slechts beschouwd wordt als ‘broedmachine’, en beslissen aan de hand daarvan wat een vrouw wel of niet mag, niet alleen wat betreft het publieke, maar ook het private. Zo zijn het overal ter wereld mannen die beslissen over het recht op abortus.

Het mag dan ook niet verbazen dat deze reductie van vrouwen tot enkel een lichaam ervoor zorgt dat vrouwen dat lichaam gaan gebruiken om hun boodschap over te brengen. Als hun een stem ontnomen wordt, als ze enkel nog een lichaam zijn, als een object dat teruggedrongen wordt tot de private sfeer, dan is er slechts één manier om terug subject te worden: het lichaam tonen. Zonder stem wordt het lichaam performatief.

De kunstenaar Deborah De Robertis doet al jaren dit soort performances. Haar actie in 2014 voor ‘L’origine du Monde’ in het Musée d’Orsay is nog niet vergeten en zal dat ook niet snel zijn. Femen ontbloot de borsten om hun politieke punt te maken. Victoria Bateman wil met haar naaktheid de aandacht vestigen op de manier waarop vrouwen in de geschiedenis van de economie betrokken werden. En nog niet zo heel lang geleden was er de naakte vrouw in Portland tijdens de BLM protesten, die niet alleen danste voor de ogen van de ordetroepen, maar wijdbeens op het asfalt voor hen ging zitten. Waarom ook niet? Zulke acties werken. De naaktheid trekt onze blik aan. Eens die vastgehouden wordt, komt ook de boodschap over. De ordetroepen in Portland grepen niet in, zelf even verstomd. Het beeld van de vrouw ging wel viraal. We hebben haar opgemerkt en even werd de hele wereld ervan bewust dat het in Portland menens is.

Acties waarbij vrouwen hun lichaam inzetten en het tonen in al zijn naaktheid blijven niet onopgemerkt. Naaktheid wordt als onrein gezien, iets dat moet worden afgedekt, dat zeker niet getoond mag worden in het openbaar. Dus wordt het lichaam het middel bij uitstek om op te vallen in diezelfde openbare ruimtes. Het gaat daarbij telkens om een soevereine constitutieve handeling, waarbij de vrouw d.m.v haar lichaam een volwaardige plaats inneemt in de publieke sfeer en het publieke debat. Het lichaam geeft de vrouw een politieke stem. Het lichaam doorbreekt de opgelegde verstomming en toont zich en plein publique, opdat eenieder haar zou opmerken. De vrouw is dan een subject dat zich niet meer neerlegt bij haar objectificatie en haar plaats opeist, voor haarzelf of voor alle onderdrukten in de samenleving.

BEDACHT

Maart 2021

Thema: MINIMALISME

Le bazar à la maison, c'est la nouvelle norme ! - Elle DécorationMinimalisme. Wat is dat eigenlijk? | De Transformisten

Dat minimalisme niet eenduidig te vatten is, werd duidelijk tijdens de maand maart, toen minimalisme het thema was. De definities lopen uiteen van de populaire versie ‘zo weinig mogelijk spullen bezitten’ tot ‘bij jezelf te rade gaan over wat ertoe doet’. Er niet meteen een noodzakelijk verband tussen beide. Wat ertoe doet, hoeft niet per se tot ontspulling leiden, maar kan er, paradoxaal, misschien net tot een toename leiden. En het ene ‘spul’ is namelijk het andere niet. Er zijn de spullen die ons via grootste marketingcampagnes worden aangeprezen. Spullen waarvan we zelf niet eens door hadden dat ze zo onontbeerlijk zijn in voor ons bestaan. Ze zijn van laag tot hoog geprijsd, maar kosten altijd veel. Ze belasten onnodig het milieu, ze zorgen voor de uitbuiting van arbeiders, ze houden oorlogen in stand, nemen het niet zo nauw met mensenrechten, … Het zijn de kosten waarvoor we vaak de ogen sluiten, als we er al volledig van op de hoogte zijn, want die marketingcampagnes vertellen niet alles. En wat zou een individu eraan kunnen veranderen? De reclame wekt onze begeerte voor deze spullen op, de betere journalistiek ons schuldgevoel. Hoe dan ook, na verloop van tijd hebben we te veel van deze spullen en staan de Marie Kondos klaar met raad en advies om ons ervan te ontdoen. We zouden er dan gelukkiger van worden als we ze weer weggooien of weggeven. Zit geluk in een opgeruimde kleerkast? Wie het laatste geluk zocht, deed dat vast niet door even de lades open te trekken. In dat strakke interieur zit misschien wel gemoedsrust verborgen. Oef, al een zorg minder, alles is opgeruimd. Hierbij volledig voorbijgaand aan de wet van entropie. Het zal altijd meer energie vragen om tot die orde te komen (en dus gemoedsrust), dan de boel de boel te laten. Hoeveel moed moet een mens niet bijeenrapen om zich steeds weer aan het opruimen te zetten? Hoeveel zorgen en onrust veroorzaakt het niet als dat opruimen even niet lukt? Als er verdorie toch iets blijft rondslingeren dat het hele interieur uit z’n balans haalt. Het aanvaarden van de chaostheorie zou anders ook wel eens voor gemoedsrust kunnen zorgen.

Kan het minimalisme hier iets mee? Als nu de redenering is dat minimalisme leidt tot geluk en/of rust, kan dan ook het omgekeerde gesteld worden: geluk leidt tot minimalisme. Neen, er is geen noodzakelijk verband. Er zijn meerdere zaken die tot geluk leiden: vriendschap, lekker eten, een fijne job, de wind in de haren … Minimalisme kan op elk van hen toegepast worden, maar dat moet ieder voor zich uitmaken. Er zijn ook geluksfactoren die gewoon op ons afkomen, we moeten er enkel ervoor open staan om ze op te merken. Het kan net zijn dat iemand gelukkig wordt van veel spullen te hebben. Onnodige spullen misschien zelfs. Door de tijd heen vergaard en hun plek vonden in een huis zodat ze meteen ook mee aan een thuis werkten. Spullen die iets te vertellen hebben, waardoor eenieder die dit thuis betreedt, er de bewoner in herkent. Spullen die intussen, om wat voor reden ook, gekoesterd worden, die ware relikwieën geworden zijn. Alleen de eigenaar weet waarom dat ene kopje bewaard blijft, hoe boeken gerangschikt staan en waarom op die specifieke wijze, waarom die zetel met de verschenen stof niet vervangen wordt, … Een huis vol spullen vertelt boekdelen over hun eigenaar, wie ernaar luistert en doorvraagt, leert de eigenaar ook kennen. In welk minimalistisch interieur kwam je iets te weten over de bewoner, buiten het feit dat hen een onrustig persoon is, op zoek naar rust? Was het er gezellig? En wat met de bezoekjes aan de bomma, bij wie de kasten volstaan, met foto’s van de kleinkinderen, de halfvolle fles Elixir d’ Anvers en de kleine glaasjes om die erin te schenken, het bewaarde bruidsboeket, waarvan alleen zij nog weet welke kleur de bloemen hadden, …

We hebben behoefte aan (gemoeds)rust en opgeruimde interieurs, het trage leven en een oog voor esthetiek horen daar vast bij. Maar we hebben ook behoefte aan spullen. Wie stilstaat bij de vergaarde spullen, leeft ook traag. Slowtravel in de eigen huiskamer. Spullen vertellen namelijk een verhaal. Verhalen verteld als uitdrukking van onze existentie. We kunnen wel spullen, gekocht, gevonden of gekregen, verzamelen en die uniek maken. Ook in de chaos zit er schoonheid. Minimalisme gaat niet over minder en trager, maar start bij wat je echt nodig hebt, wat er voor jou echt toe doet. Zodat je tijd en ruimte kan vrijmaken om de verhalen van het leven een plek te geven. Met een schone lei beginnen en mondjesmaat toevoegen wat er echt toe doet. Met de jaren alsmaar meer vergaren, meer te vertellen hebben. Waardevolle spullen toelaten in je bestaan, omdat ze mee vorm geven aan wie je bent. Omdat ze aan anderen tonen wie je bent. En waarom niet, spullen om verbinding met anderen aan te gaan. De gevulde koppen bij de koffieklets, de boeken om uit te lenen, het beddengoed om logés te ontvangen, … Spullen die de ander welkom heten op een plek die de anonimiteit van een hotelkamer weet te overstijgen. Maximaal genieten, van alle spullen en verbindingen. Hoeveel minimalisme heeft een mens dan nodig?

CONTACT

De Horizon

Kim Bertoe
Dagerdaadstraat 63
2800 Mechelen

+32 472 11 28 72
dehorizon@proximus.be

Ondernemingsnr. BE0521.834.462

Praktijk

BRANDWERK
Dageraadstraat 4
2800 Mechelen

googlemaps