ARCHIEF

Ouders en nataliteit

Een van de mooiste begrippen bij Hannah Arendt, en misschien wel de mooiste uit de filosofie, is nataliteit: een mens komt ter wereld en verschijnt als een nieuwkomer tussen andere mensen. Mensen gaan interactie aan met anderen en maken op die manier een nieuw begin. Het ligt mede aan de basis van het politieke denken bij Arendt. Nataliteit geeft aanleiding tot handelen, spontaan beginnen met iets nieuws. Zo is de mens in staat om de kringloop van worden en vergaan, de wet der sterfelijkheid, te doorbreken. “…, [we] zijn niet geboren om te sterven, maar om een begin te maken.”. Geboren is iets wat je overkomt. We kunnen sterven zonder inmenging van anderen, maar dat geldt niet voor onze geboorte. Iemand heeft al gehandeld, voor we zelf deze mogelijkheid bezitten. We ondergaan onze eigen geboorte passief, net zoals we later al onze handelingen enige vorm van passiviteit zullen bewaren omdat we niet soeverein zijn, maar steeds afhankelijk zijn van anderen. Maar klopt dat wel voor onze geboorte? Wat we zelf passief ondergaan, wordt heel actief uitgevoerd door de persoon die door middel van het baren de nieuwe mens op de wereld zet. Of zelfs het dragen dat eraan voorafgaat is een actief gebeuren. Arendt schrijft daar niets over. Nochtans is er voor elke mens een efficiënte oorzaak, telkens opnieuw: de Moeder. Een begrip dat ik hier met een hoofdletter schrijf om als volledig en inclusief te kunnen gelden en dat ik beter geschikt acht dan ouders. Arendt gaat voorbij aan de Moeder en de politieke betekenis ervan. Bewuste handelingen maken van de mens een politiek dier bij uitstek. Handelen zorgt ervoor dat we met anderen contact kunnen maken, dat er sprake is van een ‘samen’. Arendt zelf heeft het over pluraliteit.

“Het vermogen tot handelen vindt ontologisch zijn wortels in de nataliteit.”, schrijft ze. Dat is ook zo. Alleen moet dat ook buiten de context van de ontmoeting met de ander gezien worden. Nataliteit begint bij de werkelijke geboorte, maar niet bij het kind dat geboren, maar diegene die de actieve handeling stelt: de barende. Of nog verder terug: de dragende. Begint de echte nataliteit niet bij het bewust worden van de conceptie die er in het lijf heeft plaatsgevonden? In het dragen zit al een handeling, want ook dit is een bewust gebeuren. In het baren wordt dit kind nog niet overgedragen aan de wereld.  Het is nog te vroeg om een boreling van handelend wezen te zien. Dat duurt nog enige tijd. Een kind dat ter wereld komt is hulpeloos, afhankelijk van anderen om gevoed en warm gehouden te worden. Moeders zetten kinderen op de wereld en verzorgen hen net zolang tot ze op eigen benen kunnen staan, tot ze in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. En tot ze oud genoeg zijn om zelf te kunnen handelen. Nochtans wordt dit dragen, baren en zogen afgedaan als arbeid. Iets wat niet tot het publieke behoort, maar het private. Een opdeling die Aristoteles al maakte. Burgers -lees: vrije mannen- konden toetreden tot het publieke domein, al de anderen -lees: vrouwen, kinderen en slaven- begaven zich enkel in het private domein. Het laatste als datgene waar de was en de plas, het gras maaien, eten klaarmaken, … behoort. Het publieke waar stemmen gelden die aan politiek kunnen doen, die de wereld kunnen vernieuwen.

We arbeiden volgens Arendt omdat we onderworpen zijn aan de noodzakelijkheden van het bestaan. We moeten voorzien in het (levens)onderhoud van onszelf en anderen. Het betreft hier dus geen politiek. Nochtans beschouwt elke Moeder het kind als een volwaardig persoon, leest en ziet hierin reeds de mogelijkheden die voor ons liggen. Verwachtingen van hoop en geloof. Elk kind draagt in zich de belofte van een nieuwe en betere wereld. Elke generatie opent deze mogelijkheden opnieuw. Elk kind wordt, voor het de wereld ingestuurd wordt, niet alleen ter wereld gebracht, maar ook opgevoed. Dit opvoeden en grootbrengen gebeurt door de Moeder. Hen wacht niet tot het kind oud genoeg is om zelf deel te kunnen nemen aan het publieke leven. De Moeder ziet reeds in het kind alle hoop en geloof. De arbeid waartoe het in stand houden van het leven dient, is geen arbeid als het over opvoeden en grootbrengen aankomt, het is geen arbeid als het gericht is op de ander die in zich de belofte draagt. Een kind baren, de borst geven, recht helpen bij het vallen, woordjes leren, huiswerk begeleiden, … het is handelen in zijn meest pure vorm. Het is een verborgen handelen dat de Moeder op zich neemt. Als Arendt het over nataliteit heeft, schrijft ze ook: “…het geboren worden van een nieuwe mens en het maken van een nieuw begin, de handeling waartoe wij uit kracht van de geboorte in staat zijn. Slechts in de volle beleving van dit vermogen liggen de menselijke aangelegenheden geloof en hoop.” Laat het net de Moeder zijn die een nieuw leven ter wereld brengt, die vanuit deze handeling blijkt geeft van een geloof in de toekomst, dat we als mens een nieuw begin kunnen maken. Een Moeder zal met hun hele zijn, en niet in het minst met hun lichaam, ervoor zorgen dat nieuw leven, een nieuw begin, deelneemt in de wereld. Moeders zijn dus primair handelende mensen, zonder Moeders is er geen wereld.

Allison Stone, An Introduction to Feminist Philosophy (Cambridge: Polity Press, 2007)

Hannah Arendt, Vita Activa (Amsterdam: Uitgeverij Boom, 1994)

Dirk De Schutter, Remi Peeters, Hannah Arendt: Politiek Denker (Zoetemeer: Uitgeverij Klement, 2015)

Juf: Zullen jullie ooit vrij zijn?

Kinderen:

  • Als we nooit vrij zijn, is dat gemeen van onze ouders.
  • Maar we zijn niet vrij omdat we groot zijn.
  • Neen, papa is niet vrij omdat hij lang moet werken.
  • Maar om af en toe niet te moeten werken heb je vrij-dagen. Vrije dagen.
  • Door te werken verdien je geld en ben je vrij.

Bovenstaande conversatie werd gevoerd in een kleuterklas met zesjarigen. Dit fragment werd gefilmd nadat ze al twee jaren filosofie kregen. De rest van de gesprekken zijn terug te vinden in de documentaire ‘Ce n’est qu’un début/just a beginning‘, die te zien op Cinémember.

In het aangehaalde fragment zoeken ze antwoorden op de vraag ‘Wat is vrijheid?’. De juf begeleidt het gesprek en stelt bijkomende vragen.De kinderen antwoorden weloverwogen en tasten in groep af wat ‘vrijheid’ betekent. En ze ontdekken dat het niet zo eenvoudig is. Maar het proces dat ze doormaken is van groot belang. Ze leren nadenken, maar ook om te luisteren, beleefd een gesprek te voeren, hun mening herzien, …

Een beter voorbeeld om het belang van leren filosoferen aan te tonen dan deze film is er niet. Er zijn al veel artikels over geschreven, maar het meemaken, het zien gebeuren, is het beste bewijs. De vooruitgang die deze kleuters boeken op twee jaren is immens. Helaas gaat het, zoals wel vaker als het op filosofie in het onderwijs aankomt, over een proefproject. En ondanks de merkbare vooruitgang, zal het budget voor deze sessies teruggeschroefd worden. Er komt geen verdere opvolging voor deze kinderen.

In Vlaanderen staat filosofie niet eens standaard op het curriculum. Als ‘zachte’ wetenschap wordt ze niet als nuttig beschouwd. Daartoe dienen eerder de STEM vakken. Nochtans geen wetenschap zonder reflectie. Hoe kom je anders tot een hypothese? Dat is immers een denkoefening die het onderzoek vooraf gaat. Willen we goede wetenschappers, dan moeten we ook goede denkers hebben. Buiten het onderwijs zijn er wel veel kleinschalige initiatieven in Vlaanderen, maar daarvoor het loopt niet storm. Hier en daar kan er al eens een workshop filosoferen voor kinderen of jongeren gevolgd worden.

Maar wetenschapper in spe of niet, filosoof in wording of niet,  wie filosofisch kan redeneren ontwikkelt zich tot een kritische burger en zal zich op een betrokken manier tot de samenleving verhouden. Iets wat ons allemaal ten goede komt. Op die manier dragen we op een constructieve manier bij aan de maatschappij. Daarom dat intussen toch al enkele onderwijskoepels filosofie het toch op een of andere manier in hun lessenpakket verwerken.

Niet minder van belang is het kind zelf. Grote mensen kunnen wel veel willen van kinderen, dat ze nuttige dingen studeren staat daarbij bovenaan het lijstje, maar wat willen kinderen zelf? Misschien komt het paradoxaal over, maar grote mensen kunnen filosofie voor kinderen willen. Niet omdat het nut zou hebben, maar omdat het net tot de ontvoogding leidt. Als kinderen leren om zelf na te denken, dan hebben ze geen grote mensen nodig om het in hun plaats allemaal te beslissen, maar kunnen ze betrokken worden in het beslissingsproces en gehoord worden. Dan kunnen ze zelf meepraten over hun vrijheid, wat het betekent om een baas te hebben/zijn, wat er gebeurt als we doodgaan, …

Artikel 13 van de kinderrechten stelt: Kinderen mogen op allerlei manieren hun mening geven. Dit betekent ook dat kinderen informatie mogen verzamelen zodat ze hun mening kunnen vormen. De rechten van anderen moeten wel gerespecteerd worden. Schelden of iemand beledigen mag dus niet. Aspecten die zeker ook aan bod komen tijdens een sessie praktische filosofie. Hoe goed zou het dan niet zijn om hen ook aan te leren deze dialoog te kunnen voeren? Wanneer maken we er werk van?

Zijn alle mensen gelijk?

Recent stond er in De Standaard een artikel met als kop De crisis heeft me terug aan de haard gezet[1]. Het artikel gaat over een ongelijkheid tussen mannen en vrouwen die door de coronamaatregelen weer opleeft. Nochtans zijn in een samenleving alle mensen gelijk. De rechten van de mens gaan hier van uit, net zoals menige nationale grondwet. Het lijkt een vanzelfsprekendheid waar niemand iets tegenin brengt. Deze gelijkheid blijkt enkel op papier. In de praktijk is er net zeer veel ongelijkheid. Ongelijkheid die steeds betekent dat een deel van de samenleving haar succes kent door een ander deel te onderdrukken en/of uit te buiten. De coronapandemie brengt dit pijnlijk aan het licht, over de hele wereld. De ongelijkheid kent vele vormen, maar het ziet ernaar uit dat binnen elk van die vormen vrouwen aan het kortste eind trekken. Ook in het Westen, waar men ervan uitgaat dat vrouwen intussen toch al heel wat rechten verworven hebben. Het blijkt nu dat mythes rond vrouw-zijn hardnekkiger zijn dan de rechten doen uitschijnen. Nog steeds leven vrouwen naar die mythes die, in grote lijn, inhouden dat vrouwen de zorgtaken op zich nemen, omdat ze daar nu eenmaal van nature beter toe in staat zijn. Het zou deel zijn van hun vrouwelijke essentie. De Beauvoir schreef er met De Tweede Sekse een lijvig boek over. Het eerste deel van het boek gaat net over deze mythes. Maar De Beauvoir blijkt optimistisch. Het vrouwenstemrecht was vier jaar voor de verschijning van dit boek een feit en ze dacht dat de politieke verworven rechten zouden leiden tot de sociale en economische onafhankelijkheid van vrouwen. Groot was haar teleurstelling 20 jaren later, toen de mythes inderdaad iets hardnekkig bleken te hebben. De verhoopte vrijheid bleef uit. Vrouwen waren nog steeds de tweede sekse.

Tussen het verschijnen van De Tweede Sekse in 1948 en vandaag zijn er meer dan 70 jaren voorbij gegaan. Hoewel sindsdien steeds meer vrouwen gingen werken, blijft de economische onafhankelijkheid nog steeds uit. Vrouwen verdienen minder dan hun mannelijke evenknie en moeten bovendien nog steeds het gros van de zorgtaken op zich nemen. Ook nu nog wordt er geloof gehecht aan de mythe van de vrouw als een essentieel zorgend wezen. De coronacrisis en de maatregelen tonen dit aan. Men spreekt, tien maanden ver in de pandemie en volop in de tweede golf, van een roze recessie. Vrouwen blijven thuis om voor de kinderen te zorgen nu ook kinderopvang sluit, terwijl mannen gewoon verder werken.

“We’ve never seen this before,”, zegt Betsey Stevenson professor economie in de New York Times: “Recessions usually start by gutting the manufacturing and construction industries.”[2] Hier wordt duidelijk waarom het over het in stand houden gaat van de mythes. Bij een reguliere recessie is het de werkgever die beslissingen moet nemen, en die doet dat op basis van de kosten. Als mannen meer verdienen dan vrouwen, zullen het dan ook de mannen zijn die hun ontslag krijgen. Maar tijdens deze roze recessie wordt de beslissing over wie er thuisblijft, binnen het gezin genomen. Vrouwen verdienen minder en ze zijn beter in zorgtaken, ziedaar: de vrouw geeft haar werk op. Of ze zoekt niet meer naar ander werk, want als ze werkloos is, gaat haar tijd en energie naar die zorgtaken. Haar wederhelft hoeft niet meer in te springen bij die taken, want er is nu iemand thuis. De taken worden weer traditioneel verdeeld. ‘Ik heb het gevoel dat ik terug in de tijd ben gekatapulteerd,’ zegt Eva Marievoet in het artikel. Ze vreest voor haar professionele carrière.[3]

Maar is er wel sprake van terug katapulteren? Is er ooit iets veranderd? Zijn de mythes ooit weggeweest, nu blijkt dat buitenshuis werken niet tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen geleid heeft? Het ziet er eerder naar uit dat de mythe van de vrouwelijke essentie terug is van nooit weggeweest. Het blind geloof in de bevrijding door buitenshuis werk, zorgde ervoor dat de samenleving het niet meer zag dat vrouwen nog steeds moeten beantwoorden aan de mythe. Maar buitenhuis werk, betaalde arbeid, is geen teken van emancipatie, maar meer van het hetzelfde: het idee dat succes afhangt van het niet-succes van de ander. Dus van onderdrukking in een samenleving. Zoals ook Ruud Welten schreef in het recent verschenen Wie is er Bang van Simone De Beauvoir?.[4]  Vrouwen zijn evengoed in deze val van onderdrukking getrapt. Het oude normaal kwam nooit ten einde, het werd slechts aangepast. Het werd normaal dat een vrouw naast haar zorgtaken ook nog eens buitenshuis ging werken, waarbij het werd afgedaan als het toppunt van emancipatie. “En zo ontstaat een nieuwe mythe, waar we vandaag in leven, van een neoliberale samenleving die zichzelf genderneutraal acht, maar stilzwijgend masculien blijft.”, schrijft Welten[5]. De roze recessie maakt dit alleen maar duidelijk. Nu iemand in deze crisis het moet ontgelden, is teruggrijpen naar de aloude mythes over de vrouw snel gebeurd. In een roze recessie hangt het succes van de man af van het niet-succes van de vrouw. De zorgtaak weer opnemen is een teken van niet-succes in het nieuwe normaal. Het verklaart waarom Marievoet zich terug aan de haard gezet voelt. Vrouwen hebben slechts succes geboekt in een neoliberaal systeem, maar ze hebben geen vooruitgang gemaakt als het op vrijheid aankomt.  De Beauvoir heeft het niet over succes of verdienste, ze heeft het over vrijheid. Een samenleving kan volgens haar alleen maar vrij zijn als er geen sprake meer is van onderdrukking. Het ziet er dan naar uit dat er nog een lange weg te gaan is. Als vrouwen nu al eens beginnen met de mythe zelf te doorbreken? Neen zeggen is de eerste vorm van vrijheid. Neen tegen het individueel opnemen van de zorgtaken. Uit het verlies van werk volgt immers niet noodzakelijk het opnemen van een oud rollenpatroon. Coronaverlof is niet noodzakelijk weggelegd voor de ouder met het laagste inkomen. Neen zeggen is een eerste stap. Neen, ik wil dit niet, ik wil vrij zijn.

[1] Karsten Lemmens, “’Deze crisis heeft me terug aan de haard gezet’,”in De Standaard, red. Karel Verhoeven (Brussel: Mediahuis, 2020), 38.

[2] Patricia Cohen, “Recession with a Difference: Women Face Special Burden,” in The New York Times, red. Dean Baquet (New York: 2020), A1.

[3]Karsten Lemmens, “’Deze crisis heeft me terug aan de haard gezet’,”, 38.

[4] Ruud Welten, Wie is er Bang voor Simone De Beauvoir: over Feminisme, Existentialisme, God, Liefde en Seks (Amsterdam: Boom, 2020), 190.

[5] Ruud Welten, Wie is er Bang voor…, 167.

Ouders en nataliteit

Een van de mooiste begrippen bij Hannah Arendt, en misschien wel de mooiste uit de filosofie, is nataliteit: een mens komt ter wereld en verschijnt als een nieuwkomer tussen andere mensen. Mensen gaan interactie aan met anderen en maken op die manier een nieuw begin. Het ligt mede aan de basis van het politieke denken bij Arendt. Nataliteit geeft aanleiding tot handelen, spontaan beginnen met iets nieuws. Zo is de mens in staat om de kringloop van worden en vergaan, de wet der sterfelijkheid, te doorbreken. “…, [we] zijn niet geboren om te sterven, maar om een begin te maken.”. Geboren is iets wat je overkomt. We kunnen sterven zonder inmenging van anderen, maar dat geldt niet voor onze geboorte. Iemand heeft al gehandeld, voor we zelf deze mogelijkheid bezitten. We ondergaan onze eigen geboorte passief, net zoals we later al onze handelingen enige vorm van passiviteit zullen bewaren omdat we niet soeverein zijn, maar steeds afhankelijk zijn van anderen. Maar klopt dat wel voor onze geboorte? Wat we zelf passief ondergaan, wordt heel actief uitgevoerd door de persoon die door middel van het baren de nieuwe mens op de wereld zet. Of zelfs het dragen dat eraan voorafgaat is een actief gebeuren. Arendt schrijft daar niets over. Nochtans is er voor elke mens een efficiënte oorzaak, telkens opnieuw: de Moeder. Een begrip dat ik hier met een hoofdletter schrijf om als volledig en inclusief te kunnen gelden en dat ik beter geschikt acht dan ouders. Arendt gaat voorbij aan de Moeder en de politieke betekenis ervan. Bewuste handelingen maken van de mens een politiek dier bij uitstek. Handelen zorgt ervoor dat we met anderen contact kunnen maken, dat er sprake is van een ‘samen’. Arendt zelf heeft het over pluraliteit.

“Het vermogen tot handelen vindt ontologisch zijn wortels in de nataliteit.”, schrijft ze. Dat is ook zo. Alleen moet dat ook buiten de context van de ontmoeting met de ander gezien worden. Nataliteit begint bij de werkelijke geboorte, maar niet bij het kind dat geboren, maar diegene die de actieve handeling stelt: de barende. Of nog verder terug: de dragende. Begint de echte nataliteit niet bij het bewust worden van de conceptie die er in het lijf heeft plaatsgevonden? In het dragen zit al een handeling, want ook dit is een bewust gebeuren. In het baren wordt dit kind nog niet overgedragen aan de wereld.  Het is nog te vroeg om een boreling van handelend wezen te zien. Dat duurt nog enige tijd. Een kind dat ter wereld komt is hulpeloos, afhankelijk van anderen om gevoed en warm gehouden te worden. Moeders zetten kinderen op de wereld en verzorgen hen net zolang tot ze op eigen benen kunnen staan, tot ze in staat zijn om voor zichzelf te zorgen. En tot ze oud genoeg zijn om zelf te kunnen handelen. Nochtans wordt dit dragen, baren en zogen afgedaan als arbeid. Iets wat niet tot het publieke behoort, maar het private. Een opdeling die Aristoteles al maakte. Burgers -lees: vrije mannen- konden toetreden tot het publieke domein, al de anderen -lees: vrouwen, kinderen en slaven- begaven zich enkel in het private domein. Het laatste als datgene waar de was en de plas, het gras maaien, eten klaarmaken, … behoort. Het publieke waar stemmen gelden die aan politiek kunnen doen, die de wereld kunnen vernieuwen.

We arbeiden volgens Arendt omdat we onderworpen zijn aan de noodzakelijkheden van het bestaan. We moeten voorzien in het (levens)onderhoud van onszelf en anderen. Het betreft hier dus geen politiek. Nochtans beschouwt elke Moeder het kind als een volwaardig persoon, leest en ziet hierin reeds de mogelijkheden die voor ons liggen. Verwachtingen van hoop en geloof. Elk kind draagt in zich de belofte van een nieuwe en betere wereld. Elke generatie opent deze mogelijkheden opnieuw. Elk kind wordt, voor het de wereld ingestuurd wordt, niet alleen ter wereld gebracht, maar ook opgevoed. Dit opvoeden en grootbrengen gebeurt door de Moeder. Hen wacht niet tot het kind oud genoeg is om zelf deel te kunnen nemen aan het publieke leven. De Moeder ziet reeds in het kind alle hoop en geloof. De arbeid waartoe het in stand houden van het leven dient, is geen arbeid als het over opvoeden en grootbrengen aankomt, het is geen arbeid als het gericht is op de ander die in zich de belofte draagt. Een kind baren, de borst geven, recht helpen bij het vallen, woordjes leren, huiswerk begeleiden, … het is handelen in zijn meest pure vorm. Het is een verborgen handelen dat de Moeder op zich neemt. Als Arendt het over nataliteit heeft, schrijft ze ook: “…het geboren worden van een nieuwe mens en het maken van een nieuw begin, de handeling waartoe wij uit kracht van de geboorte in staat zijn. Slechts in de volle beleving van dit vermogen liggen de menselijke aangelegenheden geloof en hoop.” Laat het net de Moeder zijn die een nieuw leven ter wereld brengt, die vanuit deze handeling blijkt geeft van een geloof in de toekomst, dat we als mens een nieuw begin kunnen maken. Een Moeder zal met hun hele zijn, en niet in het minst met hun lichaam, ervoor zorgen dat nieuw leven, een nieuw begin, deelneemt in de wereld. Moeders zijn dus primair handelende mensen, zonder Moeders is er geen wereld.

Allison Stone, An Introduction to Feminist Philosophy (Cambridge: Polity Press, 2007)

Hannah Arendt, Vita Activa (Amsterdam: Uitgeverij Boom, 1994)

Dirk De Schutter, Remi Peeters, Hannah Arendt: Politiek Denker (Zoetemeer: Uitgeverij Klement, 2015)

CONTACT

De Horizon

Kim Bertoe
Dagerdaadstraat 63
2800 Mechelen

+32 472 11 28 72
dehorizon@proximus.be

Ondernemingsnr. BE0521.834.462

Praktijk

BRANDWERK
Dageraadstraat 4
2800 Mechelen

googlemaps